In het handbal is er inderdaad het probleem dat er één continent heel dominant is, namelijk Europa, en dat er buiten het continent maar sporadisch een land is wat af en toe kan pieken op een groot toernooi. Het Europese kampioenschap is daarom zwaarder dan het wereldkampioenschap.
Zuid-Korea was wereldtop, maar is afgegleden naar de sub-top. Japan haalt af en toe een mooi resultaat, maar een top 10 plek op een WK is eigenlijk een uitzondering. Angola is eigenlijk het enige land in Afrika wat op een goede dag mee kan met de Europese sub-top. Brazilië werd wereldkampioen in 2011, maar heeft daarna ook niet veel meer successen meer gekend. En met maar 12 teams die mee mogen doen aan de Olympische Spelen. Daarvan gaat één plek naar het gastland en je kan eigenlijk al invullen dat Brazilië, Angola en Zuid-Korea zich ook plaatsen.
Dan hou je 8 plekken over: 1 voor de Europees kampioen, 1 voor de wereldkampioen (bijna altijd Europees) en dan 6 plekken die te vergeven zijn via de kwalificatietoernooien waar maximaal 8 Europese landen zich voor plaatsen. Europese landen die realistisch gezien voor deze 8 plekken in aanmerking komen zijn Noorwegen, Zweden, Denemarken, Nederland, Frankrijk, Spanje, Duitsland, Servië, Montenegro, Hongarije, Roemenië, Rusland en Slovenië. Deze landen zitten zo dicht bij elkaar qua niveau dat ze elkaar allemaal kunnen verslaan. Bovendien zijn dit allemaal landen die normaal gesproken beter zijn dan alle niet-Europese landen, met uitzondering dus van Zuid-Korea, Angola en Brazilië (+ Japan).
De competitie binnen Europa is dus enorm. Het feit dat Nederland nu voor het zesde toernooi op rij in de halve finale staat is echt uitzonderlijk, maar ondanks dit goede resultaat is er nog steeds een realistische kans dat ze de Olympische Spelen niet halen. Door hier de halve finale te halen hebben ze wel een goede uitgangspositie, omdat Nederland hierdoor naar alle waarschijnlijkheid het kwalificatietoernooi mag organiseren.